| Wilhelm Meisters Leerjaren in de pers |
| Wilhelm Meisters Leerjaren in de pers |
![]() 4 november 1985 |
Meisters Leerjaren in boeiende toneelversieRitsema's enscenering Goethe bijzondere ervaring door Marian Buijs Voorstelling: Wilhelm Meisters Leerjaren van J.W. Goethe Regie: Jan Ritsema Vormgeving: Hans Klasema Spelers: Mouna Goeman Borgesius, Sjef van Leunen, Evert van der Meulen, Marcel Musters, Joan Nederlof, Maureen Teeuwen, Chris Vinken, Erik de Vogel. Productie: Fact, Rotterdam Première: 2 november, de Lantaren, Rotterdam. Van 11 t/m 23 november in de Brakke Grond, Amsterdam, 18 en 19 december in de Toneelschuur, Haarlem. Als acht reusachtige poppen glijden de acteurs de kale speelvloer op, gehuld in kleurige crinolines en getooid met enorme poederpruiken die als een hoed op- en afgezet worden. Ze stellen zich op in een tableau dat in een wassen-beelden-museum niet zou misstaan en hullen zich in stilzwijgen. Pas na geruime tijd neemt één van hen het woord: een ontboezeming over de keuze van zijn kledij. Een tweede heeft het over haar ambitie hogerop te komen. De ene monoloog volgt op de andere, op een vlakke onopgesmukte manier uitgesproken, soms met een lichte ironie. Slechts een enkele keer richten de spelers zich tot elkaar. Ondanks het ontbreken van enige dramatische opbouw boeit de voorstelling van begin tot eind. De atmosfeer, die iets plechtstatigs heeft, wordt op enkele momenten met weldadige humor doorbroken. Het heeft iets weg van een sensitivity-training uit de achttiende eeuw. Maar Freud was nog niet geboren en de mens heeft nog weinig houvast om zijn zieleroerselen te duiden. Toch hebben de teksten die kris-kras uit Goethes boek Wilhelm Meisters leerjaren zijn geplukt, ons nog veel te zeggen. Het eeuwige zoeken naar een doel in het leven is na twee eeuwen nog onveranderd. Wilhelm Meister was een burgermanszoon die toneelspeler wilde worden. Daarom zijn er heel wat fragmenten over het toneel in de voorstelling opgenomen. Maar ook over de liefde, de dood en de zin en onzin van het leven. Rollen worden er niet gespeeld, soms zegt een man een vrouwentekst en regelmatig klinkt er een - verrassend goed gezongen - lied. Slechts eenmaal wordt er een scènetje gespeeld waarin geestig het toneelspel wordt geparodieerd. De concentratie van de spelers zorgt echter voor een weldadige aandacht. En de tableaus die gedurig van vorm veranderen, doen de rest. Op een raadselachtige wijze ontstaat er een spanning tussen de spelers en het publiek waardoor deze statische voorstelling mateloos boeit. En dat is nieuw. |
| Wilhelm Meisters Leerjaren in de pers |
7 november 1985 |
Jan Ritsema's leerlingen maken van Goethe schone schijndoor Ruud Gortzak Voorstelling: Wilhelm Meisters Leerjaren van J.W. Goethe. Door: Mug met de Gouden Tand. Regie: Jan Ritsema. In: De Lantaren Rotterdam Het begin is verrassend: acht spelers komen glijdend als porseleinen poppen de zwarte speelvloer op, zetten grote pruiken op hun hoofd, kiezen positie als kostbaarheden in een uitstalkast en zwijgen. Pa na lange tijd spreekt één van hen. Er klinkt een citaat uit Wilhelm Meisters Leerjaren. De anderen luisteren, schuiven naar een nieuwe positie en wachten op een volgende spreker. Zo zal het vijf kwartier doorgaan. Maar na een kwartier is de verrassing er wel af. Een Toneel Voorstelling noemen de spelers van De Mug met de Gouden Tand dit. Zij zijn een groep afgestudeerde en bijna afgestudeerde leerlingen van de toneelschool en het conservatorium, die onder regie van Jan Ritsema debuteren. Het is een poppenspel. Dialogen passen daar helemaal niet in en gebaren nauwelijks. Het resultaat heeft het meest weg van een voordracht, 'waarbij niemand op het idee komt om tijdens de solo van een ander, vervroegd in te vallen'. In dit hoorspel, dat dankzij de schitterende kostuums ook enigszins een kijkspel is, schuiven de figuren als mechanische zetstukken over het speelvlak. De acteurs spreken vlak en monotoon. Eée;n van hen zegt: 'Tot schijn is de toneelkunstenaar geroepen'. En dit citaat onderstreept de bedoeling van de voorstelling: geen realisme, geen inleven in een rol. Maar zo wordt het wel een schijnvertoning. Aan de voorstelling ligt Wilhelm Meisters Leerjaren van Johann Wolfgang von Goethe ten grondslag. Dat is een roman, maar wel één waarin voor het toneel ruim plaats is. Er vinden diepgaande gesprekken plaats over Hamlet, Shakespeare, muziek en theater. En over liefde en hoop. Het is te begrijpen dat spelers het de moeite waard vinden zich met deze romanstof bezig te houden. Het is ook begrijpelijk dat een regisseur als Jan Ritsema het een uitdaging vindt om met de jongeren hier iets van te maken. Het is van deze tijd. Nog niet zo lang geleden was dat anders. Toen begonnen acteurs hun loopbaan met maatschappij hervormende onderwerpen een theatrale vorm te geven. Na gesprekken met mensen in de praktijk ontstonden er uit improvisatie toneelvoorstellingen over problemen die men bij wijze van spreken uit de krant haalde. Het Werktheater was voor jonge toneelspelers het lichtende voorbeeld en het publiek stroomde in drommen toe. Dat is nu anders. Toneel gaat nu niet zo erg meer over de maatschappij en bemoeit zich nauwelijks meer met de actualiteit. Het is nu gebruikelijk bestaande teksten te kiezen. Veel voorstellingen gaan over de positie van de toneelkunstenaar, het onderzoek naar diens functioneren in het theater en de polemiek over wat theater in de jaren tachtig moet zijn. Toneel over toneel is de mode. De grote voorbeelden zijn het Onafhankelijk Toneel en Discordia. 'Iedereen poogt te spelen wat hem is opgedragen en zich zo goed mogelijk uit te drukken', klinkt het in deze voorstelling. Zo is het precies. Discipline wordt hier voornamelijk zichtbaar. Zo nu en dan wordt er ook gezongen. Liederen als Kennst du das Land en Nur wer die Sehnsucht kennt. Maar het is allemaal zonder spanning. De afstandelijkheid die de spelers jegens elkaar en het publiek in stand houden, voorkomt elke mogelijkheid om mee te leven met wat er op het podium gebeurt. De toeschouwer krijgt iets esthetisch voorgeschoteld maar hij ontkomt niet aan de gedachte slechts een kunststuk te hebben aanschouwd. Een kunststuk. |
|
|
|
|
|
|