| Wederopbouw, onze ouders in de pers |
| Wederopbouw, onze ouders in de pers |
16 januari 1989 |
Een cabaratesk weerzien met familie Doorsneedoor Martin Schouten Wederopbouw, onze ouders door Mug met de Gouden Tand Regie: Matin van Veldhuizen Amsterdam, Brakke Grond t/m 21 januari, tournee tot half april Thee of koffie? Dat waren de jaren vijftig. Niets te kiezen en een dikke kans dat het toch thee werd. Als de meerderheid in de huiskamer zich uitsprak voor het duurdere alternatief kreeg je warme melk met een vel en een vaag vermoeden van koffie dat uit een busje kwam waar Buysman's extract op stond. Thee of koffie? Die vraag is een terugkerend refrein in Wederopbouw, onze ouders de voorstelling die Mug met de gouden tand maakte over Nederland in de jaren vijftig. Plaats van handeling is de huiskamer, het enige vertrek waar de kachel brandt. Men prijst zich aan tafel gelukkig dat er vandaag geen 'harde aardappels' bij zijn, geniet rond de radio van de familie Doorsnee en luistert naar pa die regeert van achter Het Parool. Voor afwisseling zorgen een fietstochtje, een bioscoopje en een heuse filmster die de aftrap verricht van een voetbalwedstrijd. Een grote gebeurtenis is de entree van de koelkast die als vanzelf uitmondt in een optreden van Karel Appel: 'Ik ben een barbaar in een barbaarse tijd'. Het knusse Nederlands is 'een gaskamer van verveling' en wie daaruit wil ontsnappen kan emigreren, communist worden, de radio hard zetten als er jazz op is of de moderne kunst omhelzen. Zuivere koffie behoort intussen ook tot de verworvenheden. Dit alles wordt op lichte toon doorgenomen in een onderhoudende, cabareteske voorstelling waarvoor ondermeer is geput uit het werk van Anna Blaman, Remco Campert, Maurits Dekker, Lucebert en Annie M.G. Schmidt. Als een accolade om de voorstelling ligt de troonsaanvaarding van Juliana in 1948 en een tv-interview waarin onze nationale familie Doorsnee te Soestdijk herinneringen ophaalt aan dat moment. Als een soort toegift volgt het eerste bedrijf van Gerardjan Rijnders' zedenschets van het hedendaagse gezin, De Hoeksteen. De koelkast is stuk en de tv, die meer dan wat ook een eind maakte aan het oude knusse Nederland van de gesloten gordijnen, wordt gestolen door aangetrouwde familie die dringend wat heroïne moet scoren. Ook dat is dus lachen. |
| Wederopbouw, onze ouders in de pers |
![]() 16 januari 1989 |
Existentialistische 'Wederopbouw'door Erik de Ruijter Voorstelling: Wederopbouw, onze ouders; groep: Mug met de Gouden Tand script: Matin van Velhuizen, Moniek Merkx Regie: Matin van Veldhuizen Spel: Mouna Goeman Borgesius, Evert van der Meulen, Marcel Musters, Joan Nederlof, Marueen Teeuwen Gezien: De Brakke Grond, Amsterdam Een theaterstuk over de wederopbouw in Nederland: het doet onmiddellijk denken aan eerlijk zweet en dampende aardappelen, maar ook aan existentialisme en verzet tegen de benauwenis van het leven. Matin van Veldhuizen en Moniek Merkx schreven een stuk waarin de jaren vijftig een opmaat zijn voor nu. In bijna elke scène schemert wel iets door van het vrijgevochten, ongestructureerde leven in de jaren tachtig. Vanuit die optiek brengen de beide schrijfsters het stuk ook tot een einde: na een korte pauze volgt een epiloog waarin en ongenuanceerde en absurde kijk wordt gegeven op de effecten van al die werklust, familiezin en vooral van het opkomende existentialisme. Het heeft de modelfamilie, Van de Grubbe kennelijk geen goed gedaan. Zoonlief en kostgangster zijn verslaafd, pa is dement en de armoede is schrijnender dan dertig jaar terug toen de VUT in ieder geval nog lekker vet was. Tijdgeest Voor de pauze is de aandacht ook al voor een groot deel uitgegaan naar de existentiële tijdgeest. De verwijzingen naar onze vaderlandse helden op dat gebied zijn legio en zorgen bovendien voor mooie spelmomenten, zoals het staaltje 'action-painting à la Karel Appel' of de persiflage op het ongebreidelde bohemien-leven van onze beruchte Cobra-aanhangers in Parijs. Toch is me de 'name-dropping' evenals het te beklemtoond te berde brengen van het taalgebruik uit de jaren vijftig, iets te veel van het goede en met name overbodig. De teksten leggen het in het algemeen in deze voorstelling af tegen het spel en het beeld. Wat aangenaam opvalt, is het ontbreken van een logische structuur. Globaal valt wel te zeggen dat het om iets vaags gaat als het 'levensgevoel', maar eigenlijk springt de voorstelling van de hak op de tak. Het is een spontaan en speels principe, waarmee Matin van Veldhuizen in haar regie de scènes in elkaar laat overlopen. De spelers voelen zich daar bijzonder wel bij en dobberen met gemak van statische familietaferelen naar poëzievoordracht. Dat energieke en frivole maakt van 'Wederopbouw, onze ouders' een heel prettige en ontspannen vertoning, waarbij het gebrek aan diepgang zonder probleem gecompenseerd wordt door allerlei vondsten en zelfs een paar momenten van esthetisch en speltechnisch kippenvel. |
| Wederopbouw, onze ouders in de pers |
![]() 17 januari 1989 |
'Wederopbouw' mengt dagelijks leven en kunst op spitse wijzedoor Dirkje Houtman Amsterdam (Brakke Grond, tot en met 21 januari) en Tilburg (Schouwburg, 27 januari) Tot half april elders. De jaren vijftig. De natie herstelt zich van de oorlog. De eerste wankele schreden van de wederopbouw zijn een feit. Over die periode maakte Mug met de Gouden Tand, samen met regisseur Matin van Veldhuizen en dramaturge Moniek Merkx, de voorstelling 'Wederopbouw, onze ouders'. Het was een solide, overzichtelijke wereld, aldus het programma, die gaandeweg verstoord werd door de jazz, de experimentelen en de koude oorlog. De behoefte aan veiligheid en vooruitgang en het verlangen naar vrijheid zijn in de enscenering knap verweven. Het gezin als hoeksteen is op het eerste gezicht het uitgangspunt, maar in hun jaren vijftig uitmonstering kunnen deze gezinsleden even goed doorgaan voor bejaarden die terugkijken op hun verleden. Die verhouding tussen heden en verleden, maar ook tussen leven en kunst bepaalt de kleur van de voorstelling. De enscenering is net zo overzichtelijk als het leven toen. Elke speler heeft zijn eigen plek op het toneel, dat door een gordijn in het midden in tweeën is gesplitst. Een scheiding die de breuk tussen de oude en de nieuwe tijd zichtbaar maakt. De ouders staan op de achtergrond; de moeder draait gehaktballen, de vader leest de krant. Daar staat ook de radio waar het gezin zich omheen groepeert voor de Familie Doorsnee. Een luistergenot dat toen nog wreed verstoord kon worden doordat de elektriciteitsmuntjes op waren. Knus Dit knusse leven raakt doordrenkt van een nieuwe tijd, waarin de kinderen de vanzelfsprekendheid van hun bestaan in twijfel trekken. Zij houden zich voor op het toneel op, waar ze discussiëren over het existentialisme en de experimentelen in de poëzie. Het dagelijks leven en de kunstopvattingen uit die tijd zijn hier nauw met elkaar verweven. Gedichten van Lucebert en Jan Hanlo worden geïntegreerd in een dialoog over de waarde en betekenis van de Vijftigers; de schilderkunstige opvattingen van Karel Appel worden zichtbaar gemaakt bij de presentatie van de nieuwe ijskast. Het is een interessant tijdsbeeld dat, ondanks de spitse mengeling van dagelijks leven en kunstopvattingen, het karakter houdt van een documentaire waarin de makers zich vooralsnog onthouden van een persoonlijke uitspraak over die tijd. Die doen ze wèl na de pauze, met een heel ander stuk: een deel uit 'De Hoeksteek' van Gerardjan Rijnders. Gezeten achter en tafel en messcherp spelend, creëren de acteurs van De Mug een monument van pijnlijke ontluistering, dat moet aantonen waar die vrijheidsdrang van de ouder toe geleid heeft. Maar de stap is te groot en de lijnen naar nu zijn te grof. Andere orde Het asociale klimaat dat het gezin in 'De hoeksteen; teistert met geldgebrek, ziekte en aan drugs verslaafde kinderen, is van een heel andere orde dan het intellectuele klimaat van weleer waarin hun ouders opgroeiden. De wederopbouw van toen wordt gespiegeld aan de afbraak van nu, zonder een enkele verwijzing naar de dertig jaar die er tussenliggen. Daarmee wordt gesuggereerd dat het (culturele) besef uit de jaren vijftig niets heeft opgeleverd. En dat weiger ik te geloven. Wat de voorstelling wel duidelijk maakt, is dat het pessimisme over de kunstbeoefening van nu: kunst zaaide twijfel in de jaren vijftig, zo blijkt uit het eerste deel; in het huidige tijdperk laat zij (via de hand van Rijnders) alleen nog de vertwijfeling zien over het hier en nu |
|
|
|
|
|
|