| |
|
| |
|
| mugmetdegoudentand actueel | projecten | werkwijze | mugweb | te koop | reacties | contact |
|
Interviews met de deelnemers door Marjolijn Rosendaal
de Straat volgens...Germaine Kruip, Hans Christiaan Klasema, Marcel Musters, Marcel Elsenaar, Johan van der Woel, Joan Nederlof, Frans-Josef van Nispen, Ton Kas |
|
Germaine Kruip Toen Christiaan Klasema vorig jaar net uit het klooster was raakte ik in gesprek met hem over kunst en leven. Christiaan had in het klooster in Vaals een nieuw kader gevonden dat de problematiek van leven en kunst vorm gaf: waarin leven en idealen in een totaliteit was verpakt. Ik had een andere realiteit opgezocht. Toen hij het klooster uitkwam stapte hij de realiteit weer in. In mijn werk zit ik als een 1 op 1 situatie heel dicht op de realiteit. Kunst heeft te maken met openheid, met waarnemen. Ik laat de kunst niet zozeer ontstaan vanuit een visie maar vanuit de alledaagse realitieit. Mijn kunst komt voort uit mijn leven en mijn leven komt voort uit de kunst. Samen zijn Christiaan en ik naar SKOR geweest, dat is een stichting die bezig is met kunst in de openbare ruimte. Ze vroegen ons om mee te denken over de Vinex locatie Leidscherijn. Daarna vroeg ik me af wat mijn plek zou zijn in de Straat, wat zou ik in kunnen brengen? Vanuit deze dialoog kwamen we toen op de atelierwoningen van de Straat. Dit project zie ik als een kans om wensen en idealen te herformuleren binnen allerlei structuren die er al zijn. Meer eigen keuzes kunnen stellen, ongeremd mijn fantasie kunnen laten gaan. Met een diversiteit van mensen. Dit is een noodzaak want ik kan niks met het Amsterdams beleid ten aanzien van ateliers. Op deze manier kan ik zelf vormgeven hoe ik wil werken, mijn eigen voorwaarden formuleren. Ik zie kunstenaars als de nieuwe nomaden, die veel reizen en internationaal exposeren. Ik stel me 12 atelierwoningen voor in een loodsachtig gebouw, in een constante verandering, met een open structuur, met flexibele muren, een gastenverblijf voor uitwisselingen. De loods kan ook dienen als een legaal postadres voor deze nieuwe nomaden. Een dosis glamour mag er absoluut in. Vroeger op de rooms katholieke meisjesschool was een kant van het leslokaal een groot luik. Dat kon helemaal open. Je zat dan voor je gevoel buiten. Dat wil ik nu ook! Hans Christiaan Klasema De oorsprong van dit project ligt in mijn langdurige vriendschap met Marcel Musters. Hij heeft mij in 1985 geïntroduceerd bij de Mug. Hij werkte in het theater en ik in de kunst. Tijdens een werkvakantie naar Turkije hebben we er over gebrainstormd om naast theater ook televisie te gaan maken en ook over de mogelijkheid om met een aantal mensen bij elkaar in de buurt te gaan wonen. Marcel had de fantasie om een nieuwbouwstraat te kopen; ik was al bezig om me terug te trekken uit een carrierematig leven door in Friesland te gaan wonen en werken. Mijn projecten in de kunst gingen ook steeds meer over wonen en leven. Over grond, over commitment met een plek en met mensen. In de boerderij, die ik bewoonde heb ik een kuil gegraven als een oerkamer. Deze boerderij lag vlakbij Harsta State: een fries landhuis van een vriend van mij. Daar is het plan ontstaan om een connectie tussen stad en platteland te maken. Harsta Huis in Amsterdam voor de winter en Harsta State voor de zomer in Friesland. Dit plan ging niet door. Daarna ben ik in het gebouw van de Mug gaan wonen om verbinding te maken met die plek en de groep. Onder de theatervloer richtte ik een cel in. Zo'n plek geeft een ontheemd gevoel. Weinig te hebben, half décor- half niet en daardoor juist de mogelijkheid te krijgen om veel te kunnen delen. Dit terugtrekken resulteerde in mijn intrede in de benedictijner orde st. Benedictusberg te Vaals waar ik 5 jaar heb gewoond. Hoewel ik regelmatig bots met Marcel was hij het die het meest contact met mij hield. Vaak kwam hij op de bonnefooi langs. Dan pikten we de gesprekken die we vroeger hadden over de nieuwbouwstraat weer op. Later stuurde hij mij vaak informatie op over IJburg. Het idee van de Straat werd voor mij een houvast in deze geïsoleerde setting die voor mij steeds pijnlijker werd. Ik wilde weer tussen de mensen gaan wonen en trad uit. Ik begon mij af te vragen hoe ik een huis in de Straat kon maken waarin ik mijn behoefte aan spiritualiteit vanuit het christendom een plaats kon geven. De kern van het project is voor mij te werken vanuit tuinen, vanuit grond. Wat kan je leren van de natuur, hoe kom je tot bezinning en vooral hoe deel je dit genot? Waar ik zelf kom te wonen weet ik niet, in het Stiltehotel, bij Marcel in de buurt, alleen? In ieder gevoel heb ik behoefte aan familie, aan kinderen (van anderen). Een soort ad hoc zorg. In vogelvlucht zie ik de kaart van IJburg, een kade omgeven door water met daarop langwerpig, de loods met atelierwoningen, daar vlakbij het Stiltehotel dat een kapel en een tuin omsluit; dan Gebouw 11 als het Westergasterrein met een restaurant, café en terrassen in een wilde tuin; een blok gestapelde woningen met heel veel licht en dakterrassen, waartussen een paar losse luxe huizen staan voor rijkere bewoners of kleine groepen, naast boomhuizen en vuurplaatsen. Mijn grootste zorg is, hoe houden we het ruig? Marcel Musters Ik vind alleen wonen prettig; maar alleen heb ik altijd geweten dat dat tijdelijk zou zijn. Ik wil oud worden met verschillende mensen om me heen naast een geliefde, om voor elkaar een beetje te zorgen en een goeie buur te zijn. Ik wil de mogelijkheid hebben voor mijn moeder te kunnen zorgen als ze ziek is. Bovendien wil ik werk en privé niet scheiden. Ik wil niet wachten tot ik oud word om de voorwaarden hiervoor te scheppen maar het doen met de kracht die ik nu heb. Christiaan is net als ik opgegroeid in de 60-er jaren; in een Coronationstreet-achtige nieuwbouwstraat in een middelgrote stad. Die straat waar mijn moeder nog steeds woont had wel wat. We speelden veel met elkaar op straat. Die tuintjes hadden nog geen schuttingen dus het leek wel een grote gemeenschappelijke tuin. Tijdens een werkvakantie in Turkije hadden we het niet alleen over werk maar ook over met zijn allen ergens wonen. Voor de hand liggende fantasieën hadden we: een kasteel of een landhuis in de bossen. Al snel bleek dat niet realistisch te zijn. Christiaan ging naar het klooster, Joan en Hendrien kregen kinderen en bij mij groeide sterker het besef dat ik niet in de geijkte structuur van de ene levensfase in de andere wilde overgaan. Toen kwam IJburg: dat nieuwe land zonder geschiedenis uit het niets oprijzend. IJburg en met name Steigereiland leek me geweldig omdat het niet alleen maar aan regeltjes hoeft te voldoen. Dat het experimenteel mag zijn. In het klooster maakte Christiaan tekeningen van hoe het zou kunnen zijn en we raakten erg enthousiast. De essentie van de Straat zit voor mij niet in de uiterlijke vorm, maar in de gedachte en de mentaliteit hoe je wilt leven. Dat kun je op IJburg natuurlijk uitstekend uitproberen. Zo spannend en ideaal als dat klinkt, zo eng is het ook. Maar dat is wel wat ik zoek in mijn leven; daarom zit ik ook al 16 jaar bij de Mug. Bij het maken van producties voor toneel en televisie proberen we altijd een soort kern te raken. We zijn proefdieren in ons eigen laboratorium en die instelling heeft veel opgeleverd tot nu toe. Ook voor ons publiek. Met het bezig zijn met de Straat voel ik dat ook al zo. In TV7, de televisieserie die we nu maken, spelen we personages dicht bij onszelf: we spelen maatschappijkritische geëngageerde programmamakers. Eigenlijk willen ze mooie inhoudelijke televisie maken. Maar dat kan niet want TV7 is commercieel en dan gaat het over geld, opgeleverd door de reclameblokken en bepaald door de kijkcijfers. In die zin willen ze dus iets onmogelijks. De overeenkomst tussen de Straat en TV7 is dat ik niet wil accepteren dat het weer alleen over geld zal gaan. Dat wil ik bevechten, zodat er echt wat kan ontstaan. Iets nieuws ! De term 'nieuwbouwachterbuurt' vind ik leuk. Het moet speels zijn, een geordend zooitje. Met mooie en lelijke woningen en allerlei tussenvormen. Ik stel me voor dat er op het dak van Gebouw 11 een keetje staat met een bed, douche en wc waar ik dan ga zitten. Als ik maar naar buiten kan, en met een wijds uitzicht. Marcel Elsenaar Vroeger was ik als misdienaar al geboeid door wat er in de kerk gebeurde. Tussen het studeren aan de Hogere Hotelschool door ging ik vaak naar een klooster om tot rust te komen als ik me zelf in het uitgaansleven verloren had. Ik sprak vaak met een pater. In die gesprekken zag ik ineens hoe ik mijn leven leidde. In het klooster ontdekte ik wat voor mij echte gastvrijheid betekent: persoonlijk contact maken in een situatie waarin mensen zichzelf kunnen zijn. Ontmoeten vanuit het hart! Na de Hogere Hotelschool heb ik 2 jaar gewerkt in o.a. een stadsschouwburg, een warenhuis en een club. Dat was voor mij op een gegeven moment niet meer bevredigend. Ik ben theologie gaan studeren. Nu wil ik mijn ervaringen met theologie, kloosters en de hotellerie samenvoegen: de gastvrijheid van een hotel en de stilte en verinnerlijking van een klooster: een Stiltehotel. Een plek die naar binnentoe uitnodigt, letterlijk met ingangen van binnen naar buiten. Ik merkte bij mensen dat er behoefte is aan iets anders dan de traditionele kerken en kloosters. Nieuw gebouwd op een nieuwe plek, zo vanzelfsprekend en laagdrempelig als een supermarkt in een buurt. Ik weet gewoon dat zoiets nodig is in een wijk, als een soort baken In de stad iets binnenbrengen wat stil is. En eigenlijk het liefst ook nog een dependance in de natuur, waar weet ik nog niet. Een vriendin bracht Christiaan en mij in contact. de straat spreekt mij aan vanwege de visie op zorg in de samenleving. Het is niet gedacht als utopie om de wereld te verbeteren, maar je kan wel stevige impulsen geven waar iedereen in de buurt van kan profiteren. Het Stiltehotel zie ik als een vierkant gebouw met in het midden, in een cirkel de tuin, waar ook een japanse theetuin is. Het Stiltehotel zou zowel van binnen als van buiten toegankelijk moeten zijn. Ik wil er ook wonen en met een aantal gasten de stilte en de rust delen. Wat ik ook voor me zie is een ochtend ritueel in de vorm van een gebed of meditatie waar iedereen, bewoners, gasten en mensen uit de buurt aan deel kunnen nemen. Iedereen heeft zijn eigen idee van stilte. Voor mij betekent het luisteren naar jezelf, tot jezelf komen en van daaruit naar de ander. Stilte is niet 'geen geluid'. Mensen hebben er behoefte aan maar zijn er ook wel een beetje bang voor. Johan van der Woel Ik heb de nadagen van de kraakbeweging meegemaakt en tot vorig jaar op de zolder van het oude LLoyd Hotel een atelier gehad samen met 9 andere kunstenaars. We zaten met z'n tienen op die zolder en als er weer eens een raampje kapot was dan maakte ik dat even tussen neus en lippen door. Ik werd de officieuze conciërge. Dat deed ik met veel plezier. Toen de Straat ter sprake kwam werd mij gevraagd welke ideeën ik had over werkplaatsen voor het zorgdeel van het project. De zorgsector was nieuw voor mij en ik vond het een interessant terrein om me op te begeven. Niet zozeer als begeleider maar als aanbieder, als uitvinder van wat je op allerlei niveaus onder een sociale werkplaats kan verstaan. Ik heb verschillende werkplaatsen bezocht en ontdekt dat je van tevoren een structuur moet bedenken zodat alle gehandicapten-niveaus er kunnen werken. Ik heb bijvoorbeeld het verlangen om in de werkplaatsen ook voor het Stiltehotel dingen te maken, die je niet op de reguliere markt kan vinden. Dan ga je het zo ontwerpen dat het door iedereen kan worden vervaardigd. Bijvoorbeeld een kast. Zo'n collaboraterende functie zie ik voor mezelf. In die werkplaatsen zitten belangrijke elementen van het grotere project. Ik zie deze voor me als in een centrifuge die het dieper gelegen gedachtengoed van de Straat heeft vermengd. Die vermenging van idealen zal zich natuurlijk hier en daar kunnen splitsen, maar dat hoeft niet. Plotseling vliegen er dus allemaal elementen in het rond, de afzonderlijke deelprojecten van de Straat, die het vermogen hebben zich ergens in de Straat te vestigen, maar de centrifuge, de dynamiek van het begin blijft ook! Joan Nederlof Het leukste aan de Straat lijkt mij dat het allemaal wat socialer wordt, minder zo in je eigen huis dat je de buren niet eens kent. De laatste tijd gebeuren er op de Mug verschillende dingen tegelijkertijd. Het contact wat je met elkaar hebt vind ik erg inspirerend en wil ik voortzetten in de Straat. Voor de voorstelling 'HET IS NU' hadden we een boek van de oostduitse schrijfster Christa Wolf en ze beschreef daarin hoe een groepje intellectuelen van in-de-40 op het platteland ging wonen en hoe ze in en om hun huizen leefden. De dagelijkse handelingen werden als rituelen beschreven en die hebben we toen in de voorstelling gebruikt. De gedachte om met meer mensen te wonen, kwam bij mij op tijdens het eerste jaar dat ik voor onze kinderen Carlos en Zootje zorgde. Toen wij klein waren zwierven we hele dagen op straat, bij die theedrinken, met iemand anders naar huis gaan die dan weer bleef eten en daarna nog een uurtje buiten spelen. Het had iets veiligs wat je hier in de stad niet meer kan bedenken. Ik weet wel dat een vakantie gevoel tussen je oren zit, maar dat is wel iets wat ik qua sfeer wil verwezenlijken In Noorwegen waar we in mijn jeugd veel kampeerden kon je hutten huren. Grof in elkaar getimmerde boomstronken met stapelbedden en een klein keukentje. Het lijkt me zo leuk om met buurtkinderen in zo'n hut die eigenlijk om de hoek staat, een paar dagen te gaan logeren of als gastenverblijf voor familie en vrienden van buurtbewoners. Ook het vele buiten zijn is natuurlijk prettig: een huis met delen die half binnen half buiten zijn zoals een veranda. Je kunt dan naar buiten ook als het regent. Wat betreft mijn broer Aat, die het syndroom van Down heeft, vraag ik me natuurlijk af waar hij gaat wonen als mijn moeder er niet meer is. Mijn moeder en ik willen voor hem een huis opzetten. Daarvoor maken we gebruik van een persoonsgebonden budget. In plaats van dat je naar een instelling gaat die jou zorg aanbiedt kun je het met zo'n PGB zelf regelen. De hedendaags bewust kiezende mens in de zorg dus. Ik wil dat hij veilig en leuk komt te wonen. Aat acteert, rijdt paard en doet aan ballet. In de Straat kan hij in de gelegenheid komen om uit te vinden wat hij nog meer leuk vind. Misschien vindt hij het wel leuk om in de kantine te werken. Dat geldt in zekere zin wel voor ons allemaal, misschien kom je er dingen tegen die je goed liggen, waar je nu niet opkomt omdat je in een vast patroon zit. Of omdat je denkt dat dat jou niet ligt. Frans-Josef van Nispen Ik groeide op in Bilthoven. Toen ik een jaar of 16 was raakte ik zeer geïntrigeerd door een van de gebouwen van de antroposofische gemeenschap in de buurt. Dat gebouw heb ik toen geschilderd. Over Rudolf Steiner had ik nog nooit gehoord. Pas later ben ik veel van zijn werk gaan lezen maar ik had als jongvolwassene nog niet de bagage om het allemaal te begrijpen. Toen ik me als kunstenaar realiseerde dat ik mijn persoonlijke verwarring aan het schilderen was wilde ik aan mijn kunstenaarschap een andere vorm geven. Niet zozeer de interactie met mezelf maar met anderen, met mensen met een fysieke en/of verstandelijke handicap. Ik ben gaan werken in de antroposofische kinderleef/werkgemeenschap Christophorus in Bosch en Duin bij Zeist. Nu ik 15 jaar in de zorg heb gewerkt wil ik iets doen met wat deze verstandelijk gehandicapte mensen mij hebben geleerd: zij hebben mij gevormd. Ik wil weer een stap verder maar hoe en op welke plek binnen de Straat weet ik nog niet. Onzekerheden kunnen een kracht en inspiratie zijn door ze uit te bouwen. Die openheid is erg spannend. de straat is al begonnen door een groep mensen bij elkaar te zetten, terwijl het er concreet gezien nog niet is. Mijn vraag blijft "wat verbindt ons als groep ?" Dat wat tussen en met mensen gebeurt zie ik als een kunstvorm, als sociale sculptuur. de straat kan daar een plek voor zijn. We leven nu in zo'n gefragmenteerde en geïndividualiseerde maatschappij. We hebben dan wel alles op materieel gebied maar spiritueel en sociaal zijn we aan het verarmen. Het culturele en spirituele zou voor mij het kloppende hart van de Straat zijn. Het moet ook toegankelijk zijn voor mensen van buitenaf. De eigenheid van mensen zou al zichtbaar kunnen zijn in de architectuur: je ziet een huis en je weet gelijk wie er woont! Zo heb ik verschillende beelden: mijn huis wil ik transparant en open want ik neem graag waar. Tegelijkertijd kan mijn huis gekoppeld zijn aan die van anderen. Mijn woning zegt iets over mij als mens en is belangrijk in mijn persoonlijke ontwikkeling. Mijn taak zou de verbindende factor tussen de eilanden kunst, theater, Stiltehotel kunnen zijn. Ton Kas Ik had het predikaat 'nooit samen te werken'. Ik denk dat dat te verklaren is uit het fanatisme dat ik in mijn werk aan de dag legde. Het had zo z'n functie: je was bezig je consequent één kant uit te ontwikkelen, daarin was ik niet de enige. Met tot gevolg dat er, hoewel onuitgesproken, onder generatiegenoten eerder sprake leek van concurrentie dan van verwantschap. We groeven ons in in de eigen schuttersputjes: ieder z'n eigen gebouwtje, productieapparaat, zakelijke leiding, enzovoorts. Niet zo verwonderlijk ook, want onze generatie was immers klaargestoomd voor de 'grote revolutie in de kunst' en het accent lag daarbij vooral op 'authenticiteit'. Dat het met de wereld en dus ook 'het genre' een andere kant op zou gaan voorzagen we toen nog niet. Hoe dan ook, toen die rook was opgetrokken en we onze hoofden boven het zand uitstaken, bleken we afzonderlijk min of meer hetzelfde wiel te hebben uitgevonden. Nu we onszelf dan gevormd hebben lijkt het me tijd om ook tot een vruchtbare uitwisseling te komen en onszelf duidelijker op de kaart te zetten. Want ik zou willen dat wat wij vertegenwoordigen alsnog een plek krijgt, een grotere beweging wordt: de oprechtheid, het anarchisme, stijl en thematiek... Daarvoor moeten we enigszins groeperen en 'school maken', gezamenlijk iets vertegenwoordigen en uitdragen. Vooralsnog kijk ik op mijn eigen werk terug als iets dat onvolledig is, omdat het op zichzelf staat en (voor mijzelf althans) niet te plaatsen is in de tijd, laat staan in een of ander cultuurhistorisch perspectief. Dat perspectief kunnen we elkaar wellicht bieden. Hertenkamp was in zekere zin al een maquette van dit model. Ik heb moeite om mezelf te settelen want ik heb een onrustige aard. Daarom wil ik graag een bootje, het hangt aan een touwtje, het is een soort rugzak en kan overal ter wereld liggen. Of ik dat nou wel of niet doe, mentaal heeft dat een goede uitwerking voor mij. De uitdaging van de Straat is dat je probeert gemeenschappelijk iets te formuleren over hoe je op de ideale manier je leefomstandigheid wilt zien. Het lijkt mij bijzonder om op een plek te wonen waar je op een organische manier, mensen met wie je ook inhoudelijk iets te schaften hebt, ontmoet. Niet zozeer het terrein IJburg , maar de ruimte spreekt me aan. Alsof er iets kan veranderen, net zoals je in je denkbeelden kan veranderen. |
|
|
| |